Filosofie van de muziekwetenschap
deel 2: Methodologie (7)

door Jos Kunst (1988)

7. Empirie

BeginnersfoutenProblemen rond het falsificatieprincipeEen netwerk van theorieënjargon en formalisatieDe muzikale werkelijkheid

7.1 Beginnersfouten

Het is in de praktijk niet altijd even gemakkelijk de onderzoekssituatie zo in te richten, dat de ermee verbonden empirie probleemloos tot theoriebijstelling en zo tot voortgezette groei van kennis leidt. In het nu volgende hoofdstuk zullen we een aantal van de hiermee verbonden problemen beschouwen en proberen vast te stellen welke praktische conclusies dienen te worden verbonden aan het bestaan ervan.

In 1.3 stelden we de dynamiek van het wetenschappelijk onderzoek voor als een cyclisch proces, waarin theorieën aan de werkelijkheid werden getoetst (empirie), naar aanleiding van hun eventueel (gedeeltelijk) falen werden bijgesteld, om vervolgens opnieuw aan de werkelijkheid te worden getoetst, enzovoort. Uiteraard negeert een dergelijke voorstelling van zaken het feit dat men zijn onderzoek vanaf een bepaald moment in de cyclus beginnen moet, en verder dat men, hoewel het onderzoek in een algemenere zin dan (cyclisch) voortgaat, er ook op gezette tijden verslag van zal moeten doen en er dus voorlopige 'eindpunten' in zal moeten aanwijzen. Er zijn in het cyclische verloop dus lineaire elementen die zelf niet, of in eLk geval niet geheel, aan het cyclus-model beantwoorden.

Veel beginnende onderzoekers, en vaak niet alleen beginners, zetten zich in een eerste stadium van onderzoek aan het 'feiten verzamelen' en denken daarbij zelfs vaak aan een 'gewoon en onbevangen kijken wat er aan de hand is'. Dit kan bij voorbeeld de vorm aannemen van enquêtes.

In het geval van enquêtes dient men zich in de eerste plaats goed te realiseren dat men, in veel gevallen althans, niets anders verzamelt dan de meningen van amateurs of buitenstaanders en bovendien in principe alleen maar voor zover ze die kwijt willen. In de tweede plaats zal men zich goed moeten afvragen op welke wijze de enquêteresultaten de functie van empirische data zullen moeten gaan vervullen.

Meningen van amateurs en buitenstaanders volgen in de regel conventies van zowel taalgebruik als positiekeuze ten opzichte van bij voorbeeld muzieksoorten. Dit maakt ze niet zinloos of onbelangrijk, maar het bepaalt wel mede de richting waarin het belang ervan moet worden gezocht. Onderzoek naar conventies kan, zoals we in het vorige hoofdstuk (6.3 'Conventie') lieten zien, musicologisch zeer relevant zijn, maar het is heel goed mogelijk dat die conventies die de publieke meningsvorming over een bepaalde muzieksoort regelen ('praatconventies') een weliswaar gemakkelijk en sociaal geaccepteerd, maar niettemin onjuist vooroordeel te zien geven over de gebruikers van die muzieksoort en de conventies (de muzikale 'doe'-conventies) die hun werkelijke gedrag reguleren. En het is zelfs zo dat de conventies volgens welke wij het eigen gedrag beschrijven (ook tegenover onszelfl) ons onwaarheid kunnen doen spreken over onszelf en zodoende ons ertoe kunnen brengen onszelf een rad voor ogen te draaien (zie ook de passage over introspectie hierna).

En verder: hoe worden de enquêteresultaten tot data? Dat kan alleen maar gebeuren via een proces van interpretatie. En die interpretatie kan alleen maar plaatsvinden in het licht van de een of andere theorie, of die nu expliciet gegeven is of alleen in de vorm van impliciet gebleven preconcepties bestaat. In het geval dat ze expliciet gegeven is, zijn er weer twee gevallen te onderscheiden: ofwel de relatie tussen theorie en gegevens is zo dat ze onderling strijdig zouden kunnen zijn, ofwel die mogelijkheid bestaat niet.

Het geval dat er een expliciete theorie bestaat en er gegevens zijn gezocht die de theorie zouden kunnen falsificeren is een voorbeeld van onze in 1.3 genoemde empirische cyclus. De zoeksituatie is dan gebruikt om de kans te creëren er wijzer van te worden.

In het geval dat er gegevens en theorie onderling niet strijdig zouden kunnen zijn is de theorie alleen interpretatietechniek en zijn de in 4.3 'Interpretatie en controle' gegeven overwegingen over interpretatie van toepassing. In wetenschappelijke zin worden we dan niet wijzer van onze enquête. Wel kan het natuurlijk zo zijn dat er een ander doel mee gediend is en dat de hele onderneming er een is van toepassing eerder dan van het zoeken van wetenschappelijke kennis, in welk geval criteria van maatschappelijke relevantie (zie 8.1) zullen moeten gelden.

In het geval dat er geen theorie voorhanden was die vastlegde hoe de gegevens zouden moeten worden geïnterpreteerd, hebben de onderzoekers zich kennelijk blindelings in een situatie gewaagd waarvan ze hoopten dat die 'hen wel op ideeën zou brengen' – een beetje zoals gelovige mensen, als ze ergens niet uit komen, een plaats uit de bijbel 'prikken' in de hoop dat dat ze verder zal helpen. Bij zoiets als een enquête lijkt zo'n tactiek alleen verdedigbaar bij onbeperkte tijd en een onbeperkt budget. Van wetenschappers zul je mogen verwachten dat ze hard werken aan het zo expliciet mogelijk maken van wat ze verwachten, of zouden willen, of juist niet zouden willen, dat uit hun enquête komt. Dat kan dan gaan fungeren als een 'eerste theorie' en hen zodoende in staat stellen meer en gerichter 'van de werkelijkheid te leren'.

Hun probleem is daarom hetzelfde als dat van de met statistiek werkende onderzoeker die zich geconfronteerd ziet met gegevens die significant afwijken van wat op grond van zijn zogenaamde 'nulhypothese' ('er is niets bijzonders aan de hand') te verwachten zou zijn geweest. Ook hij heeft geen verklaring. En wil hij die ooit krijgen, dan zal hij met kandidaatverklaringen op de proppen moeten komen en ze uitproberen (Cf. 2.2).

Introspectie is een bezigheid die duidelijk nog een graadje problematischer is dan hermeneutisch duiden of fenomenologisch schouwen dat al zijn.

Voor alledrie geldt, dat de resultaten ervan lijken te moeten gelden als 'niet voor verbetering vatbaar': er is geen wetenschappelijke institutie die systematisch werkt aan de correctie en bijstelling van die resultaten, die de erin vervatte beweringen confronteert met het onderwerp van die beweringen. Toch zou dat, met name in het geval van het hermeneutisch duiden, best iets 'stevigs' kunnen zijn, steviger althans dan het eeuwig kneedbare 'kunstwerk zelf': namelijk de conventies die het gedrag van de kunstgebruikers reguleren (zie 6.3 'Conventie' en 'Emotie', en 6.4). Er zijn trouwens veel onderzoekers die hun methode hermeneutisch noemen en tevens zeggen 'instituties' te willen onderzoeken. Instituties lijken op hun beurt heel goed in termen van conventies beschreven te kunnen worden, en van dat begrip is een bruikbare analyse beschikbaar (6.3 'Conventie').

Bij het fenomenologische schouwen en ook bij de introspectie wordt, tenminste in zeer veel gevallen, uitdrukkelijk geëist dat men zich van conventies losmaakt, dat een vorm van waarnemen gezocht wordt die achter, of onder, conventies voorhanden zou zijn. Het enige resultaat waarop men dan zou mogen rekenen, is ontregeling. (Gegeven de trivialiteit en conventionaliteit van veel resultaten blijkt het met de mogelijke zelfontregeling van de geleerde onderzoekers overigens nog wel mee te vallen.) De achterliggende gedachte is hier misschien dat naarmate het gehanteerde onderzoeksinstrument minder 'publiek' is (en conventies gelden dan met recht als publiek), de waarneming zelf authentieker wordt – het sociale wordt als vervalsend gevoeld.

Waar men dan op terugvalt zal wel het (toevallige) persoonlijke verleden zijn – en op welke manier dat dan sociaal aanvaardbare wetenschap zou moeten opleveren blijft onduidelijk. Veel onderzoekers zien zichzelf dan ook eerder als kunstenaars. Of sommige, en zo ja welke, van alle actieve kunstenaars dan permanent aan universiteiten zouden mogen werken zal wel een politieke vraag moeten blijven.

Introspectie ten slotte kan, als er het binnenkijken in het eigen ik mee bedoeld wordt, strikt genomen zelfs nergens meer over gaan, aangezien een waarnemer hoogstens zijn best kan doen zijn aandacht te richten op gebeurtenissen die dichter en dichter bij hem liggen (onmiddellijke omgeving, het eigen lijf, etcetera) en nooit zichzelf zal kunnen zien (wat men in de spiegel ziet is een ander). Met andere woorden: waar men zich in feite op concentreert is het zo-dichtbij-mogelijke. En bij het waarnemen daarvan mag men dan vaak niet eens gangbare concepten hanteren. Dat de resultaten hiervan zeker nooit als 'harde feiten' zullen mogen gelden, zal duidelijk zijn. Weinig feiten zullen überhaupt zelfs zo boterzacht kunnen zijn als deze.

7.2 Problemen rond het falsificatieprincipe

In 4.3 'Interpretatie en controle' brachten we de relativiteit van het 'hardheids'-begrip voor feiten en gegevens al ter sprake. Elk feit, stelden we, is op zijn beurt weer theorie met betrekking tot weer elementairdere, of gewoon andere, feiten waardoor het zou kunnen worden 'gecorrigeerd'. En elke theorie functioneert als kandidaat-feit in haar betrekking tot theorieën (vaak van hoger orde) die erdoor zouden kunnen worden 'gecorrigeerd': de theorieën namelijk die 'over dit mogelijke feit gaan'.