Het is in de praktijk niet altijd even gemakkelijk de onderzoekssituatie zo in te richten, dat de ermee verbonden
empirie probleemloos tot theoriebijstelling en zo tot voortgezette groei van kennis leidt. In het nu volgende
hoofdstuk zullen we een aantal van de hiermee verbonden problemen beschouwen en proberen vast te stellen welke
praktische conclusies dienen te worden verbonden aan het bestaan ervan.
Veel beginnende onderzoekers, en vaak niet alleen beginners, zetten zich in een eerste stadium van onderzoek aan
het 'feiten verzamelen' en denken daarbij zelfs vaak aan een 'gewoon en onbevangen kijken wat er aan de hand
is'. Dit kan bij voorbeeld de vorm aannemen van enquêtes .
In het geval van enquêtes dient men zich in de eerste plaats goed te realiseren dat men, in veel gevallen
althans, niets anders verzamelt dan de meningen van amateurs of buitenstaanders en bovendien in
principe alleen maar voor zover ze die kwijt willen. In de tweede plaats zal men zich goed moeten afvragen op
welke wijze de enquêteresultaten de functie van empirische data zullen moeten gaan vervullen.
Meningen van amateurs en buitenstaanders volgen in de regel conventies van zowel taalgebruik als positiekeuze ten
opzichte van bij voorbeeld muzieksoorten. Dit maakt ze niet zinloos of onbelangrijk, maar het bepaalt wel mede
de richting waarin het belang ervan moet worden gezocht. Onderzoek naar conventies kan, zoals we in het vorige
hoofdstuk (6.3 'Conventie') lieten zien,
musicologisch zeer relevant zijn, maar het is heel goed mogelijk dat die conventies die
de publieke meningsvorming over een bepaalde muzieksoort regelen ('praatconventies') een weliswaar gemakkelijk
en sociaal geaccepteerd, maar niettemin onjuist vooroordeel te zien geven over de gebruikers van die muzieksoort
en de conventies (de muzikale 'doe'-conventies) die hun werkelijke gedrag reguleren. En het is zelfs zo dat de
conventies volgens welke wij het eigen gedrag beschrijven (ook tegenover onszelfl) ons onwaarheid kunnen doen
spreken over onszelf en zodoende ons ertoe kunnen brengen onszelf een rad voor ogen te draaien (zie ook de
passage over introspectie hierna).
En verder: hoe worden de enquêteresultaten tot data? Dat kan alleen maar gebeuren via een proces van
interpretatie. En die interpretatie kan alleen maar plaatsvinden in het licht van de een of andere theorie, of
die nu expliciet gegeven is of alleen in de vorm van impliciet gebleven preconcepties bestaat. In het geval dat
ze expliciet gegeven is, zijn er weer twee gevallen te onderscheiden: ofwel de relatie tussen theorie en
gegevens is zo dat ze onderling strijdig zouden kunnen zijn, ofwel die mogelijkheid bestaat niet.
Het geval dat er een expliciete theorie bestaat en er gegevens zijn gezocht die de theorie zouden kunnen
falsificeren is een voorbeeld van onze in 1.3 genoemde
empirische cyclus. De zoeksituatie is dan gebruikt om de kans te creëren er wijzer van te worden.
In het geval dat er gegevens en theorie onderling niet strijdig zouden kunnen zijn is de theorie alleen
interpretatietechniek en zijn de in 4.3
'Interpretatie en controle' gegeven overwegingen over interpretatie van toepassing. In wetenschappelijke zin
worden we dan niet wijzer van onze enquête. Wel kan het natuurlijk zo zijn dat er een ander doel mee
gediend is en dat de hele onderneming er een is van toepassing eerder dan van het zoeken van
wetenschappelijke kennis, in welk geval criteria van maatschappelijke relevantie (zie
8.1 ) zullen moeten gelden.
In het geval dat er geen theorie voorhanden was die vastlegde hoe de gegevens zouden moeten worden geïnterpreteerd,
hebben de onderzoekers zich kennelijk blindelings in een situatie gewaagd waarvan ze hoopten dat die 'hen wel op
ideeën zou brengen' – een beetje zoals gelovige mensen, als ze ergens niet uit komen, een plaats uit
de bijbel 'prikken' in de hoop dat dat ze verder zal helpen. Bij zoiets als een enquête lijkt zo'n tactiek
alleen verdedigbaar bij onbeperkte tijd en een onbeperkt budget. Van wetenschappers zul je mogen verwachten dat
ze hard werken aan het zo expliciet mogelijk maken van wat ze verwachten, of zouden willen, of juist niet zouden
willen, dat uit hun enquête komt. Dat kan dan gaan fungeren als een 'eerste theorie' en hen zodoende in
staat stellen meer en gerichter 'van de werkelijkheid te leren'.
Hun probleem is daarom hetzelfde als dat van de met statistiek werkende onderzoeker die zich geconfronteerd ziet
met gegevens die significant afwijken van wat op grond van zijn zogenaamde 'nulhypothese' ('er is niets
bijzonders aan de hand') te verwachten zou zijn geweest. Ook hij heeft geen verklaring. En wil hij die ooit
krijgen, dan zal hij met kandidaatverklaringen op de proppen moeten komen en ze uitproberen (Cf.
2.2 ).
Voor alledrie geldt, dat de resultaten ervan lijken te moeten gelden als 'niet voor verbetering vatbaar': er is
geen wetenschappelijke institutie die systematisch werkt aan de correctie en bijstelling van die resultaten, die
de erin vervatte beweringen confronteert met het onderwerp van die beweringen. Toch zou dat, met name in het
geval van het hermeneutisch duiden, best iets 'stevigs' kunnen zijn, steviger althans dan het eeuwig kneedbare
'kunstwerk zelf': namelijk de conventies die het gedrag van de kunstgebruikers reguleren (zie
6.3 'Conventie' en
'Emotie ', en
6.4 ). Er zijn trouwens veel onderzoekers die hun methode
hermeneutisch noemen en tevens zeggen 'instituties' te willen onderzoeken. Instituties lijken op hun beurt heel
goed in termen van conventies beschreven te kunnen worden, en van dat begrip is een bruikbare analyse
beschikbaar (6.3 'Conventie').
Bij het fenomenologische schouwen en ook bij de introspectie wordt, tenminste in zeer veel gevallen,
uitdrukkelijk geëist dat men zich van conventies losmaakt, dat een vorm van waarnemen gezocht wordt die
achter, of onder, conventies voorhanden zou zijn. Het enige resultaat waarop men dan zou mogen rekenen, is
ontregeling. (Gegeven de trivialiteit en conventionaliteit van veel resultaten blijkt het met de mogelijke
zelfontregeling van de geleerde onderzoekers overigens nog wel mee te vallen.) De achterliggende gedachte is
hier misschien dat naarmate het gehanteerde onderzoeksinstrument minder 'publiek' is (en conventies gelden dan
met recht als publiek), de waarneming zelf authentieker wordt – het sociale wordt als vervalsend
gevoeld.
Waar men dan op terugvalt zal wel het (toevallige) persoonlijke verleden zijn – en op welke manier dat dan
sociaal aanvaardbare wetenschap zou moeten opleveren blijft onduidelijk. Veel onderzoekers zien zichzelf dan ook
eerder als kunstenaars. Of sommige, en zo ja welke, van alle actieve kunstenaars dan permanent aan
universiteiten zouden mogen werken zal wel een politieke vraag moeten blijven.
Introspectie ten slotte kan, als er het binnenkijken in het eigen ik mee bedoeld wordt, strikt genomen zelfs
nergens meer over gaan, aangezien een waarnemer hoogstens zijn best kan doen zijn aandacht te richten op
gebeurtenissen die dichter en dichter bij hem liggen (onmiddellijke omgeving, het eigen lijf, etcetera) en nooit
zichzelf zal kunnen zien (wat men in de spiegel ziet is een ander). Met andere woorden: waar men zich in feite
op concentreert is het zo-dichtbij-mogelijke. En bij het waarnemen daarvan mag men dan vaak niet eens gangbare
concepten hanteren. Dat de resultaten hiervan zeker nooit als 'harde feiten' zullen mogen gelden, zal duidelijk
zijn. Weinig feiten zullen überhaupt zelfs zo boterzacht kunnen zijn als deze.
We herinneren de lezer weer even aan de in
6.3 'Perceptie' beschreven waarnemingstheorie.
Als die juist is, zullen wetenschappelijke waarnemingen, net als alle andere, de status moeten hebben van
houdbare waarnemingshypothesen en op die grond altijd kunnen worden betwijfeld.Het is daarom niet echt
verwonderlijk dat in situaties waarin theorieën door feiten werden weersproken het herhaaldelijk is
voorgekomen dat men gepoogd heeft de feiten en niet de theorieën aan te passen. Het probleem waar men
mee was geconfronteerd was er een van coherentie tussen theorieën eerder dan een van conflict tussen
een hypothese enerzijds en een hard feit anderzijds. Het gaat er dan om het conflict op een verantwoorde
manier op te lossen en dat houdt niet altijd noodzakelijkerwijze in dat men de (hogere) theorie meteen laat
vallen.
De in dit boek bij voortduring aangelegde (falsificationistische) criteria voor wetenschappelijk gedrag zijn
voor een groot deel op Popper terug te voeren. In 1962 verscheen een belangrijk boek
van T.S. Kuhn , The Structure of Scientific Revolutions , niet zozeer een
wetenschapstheoretisch als wel een wetenschapshistorisch werk, waarin wordt betoogd dat wetenschappelijke
onderzoekers zich als regel erg weinig aan Poppers regels gelegen laten liggen en voorts dat in zeer
belangrijke gevallen het rationaliteitsgehalte van hun wetenschappelijk gedrag, zwak gezegd, nogal
problematisch moet heten.
Er zijn twee mogelijke toestanden, aldus Kuhn, waar het wetenschapsbedrijf zich in kan bevinden. De eerste
wordt door hem 'normale wetenschap' genoemd, de tweede 'wetenschappelijke revolutie'.
In het eerste geval is er sprake van een stabiel paradigma . Een paradigma
is een door een wetenschappelijke gemeenschap (stilzwijgend) gedeeld totaalbeeld dat beslist welke mogelijke
onderzoeksobjecten interessant zijn en, in samenhang daarmee, welke onderzoeksmethoden voor die
onderzoeksobjecten de juiste zijn. Het is zodoende onderdeel van wat wij in
1.3 ideologie hebben genoemd. (Voor zijn aanhangers
werkt het paradigma als een 'succesbelofte'.) Wat Kuhn nu duidelijk naar voren haalt is de bevinding dat
normale wetenschappers hun theorieën, als die gefalsificeerd raken, helemaal niet laten vallen, maar
ofwel hun eigen empirische resultaten in twijfel trekken, ofwel ze zelfs gewoon negeren. Ze houden zich in
de praktijk bezig met het voortdurend pogen marginale en detaillistische probleempunten, de zogenaamde puzzles ,
op te lossen. Kortom, hun wetenschappelijke bouwwerk geldt bij hen als 'globaal waterdicht', het wordt door
voortdurende detailarbeid bijgewerkt en vertoont ondertussen hoe langer hoe meer gaten.
In het tweede geval wordt een paradigma door een ander paradigma vervangen. Dat gebeurt dan niet op grond van
rationele discussies of afwegingen, maar als regel (aldus Kuhn) doordat de aanhangers van het oude paradigma
eenvoudigweg uitsterven en door die van het nieuwe vervangen worden. Paradigma's zijn voor Kuhn ook niet
rationeel vergelijkbaar: dat is de incommensurabiliteitsthese (verschillende
paradigma's beschikken niet (in ) over een gemene (com ) maat (mensura )).
Op Kuhns boek is een discussie gevolgd, die bekend staat onder de naam'Popper-Kuhn-controverse' (men zie de
samenvatting ervan in bij voorbeeld Stegmüller 1973, pp. 153-183). Wij beperken ons hier tot de
belangrijkste resultaten.
Ten eerste is het natuurlijk niet irrationeel om, wanneer men over een gebrekkige theorie beschikt, deze
ondanks haar gebreken niet te verwerpen zolang er geen vervangende theorie beschikbaar is. Het is beter te
wonen onder een dak met gaten dan onder helemaal geen dak. Ten tweede is het niet irrationeel om, wanneer
experimentele of andere observatiegegevens een theorie tegenspreken, tegen die gegevens 'in hoger beroep te
gaan', te kijken hoever men gaan kan bij het verdedigen van de theorie tegen die gegevens. (Tenslotte
vertegenwoordigen die gegevens niet meer dan 'mogelijke feiten', kleinere theorieën dus, waar de
grotere theorie over gaat; en elke theorie, óók de kleinere, kan onwaar zijn.) Ten derde is
het inzicht in de relaties die theorieën met elkaar (en dus ook met feiten) kunnen hebben, mede onder
invloed van de Popper-Kuhn-controverse, op twee, weliswaar onderling samenhangende maar toch duidelijk niet
onderling verwisselbare, manieren verfijnd. We zullen ze hier respectievelijk de 'verticale' en de
'horizontale' relaties noemen. Voor de eerste soort relaties knopen we aan bij Bunge
(1973), voor de tweede bij Lakatos (1970).
Wiskunde is een vak met een onberispelijke wetenschappelijke status en toch wordt het nooit 'aan de
werkelijkheid getoetst': het is geen empirisch vak. Dat wil zeggen dat het letterlijk overal op toepasbaar
is, dat het geen 'mogelijke werelden', of mogelijke standen-van-zaken uitsluit, dat het geheel en al uit
tautologieën bestaat. Daarom, en alleen daarom, kunnen wiskundige waarheden ook worden bewezen. Laten
we dat 'conceptuele toetsing' noemen. We hoeven er niet voor in de wereld te gaan kijken, het gaat hier,
strikt genomen, om een zelfcontrole van het denken.
Er bestaat een aantal vakken waaraan wel een zekere empirische inhoud moet worden toegeschreven, maar die
toch het beste als vormen van 'toegepaste wiskunde' begrepen kunnen worden. Voorbeelden zijn
informatietheorie, speltheorie, cybernetica, klassieke veldtheorie, en ook vormen van toegepaste logica als
Hintikka's logic of perception , die we aan het eind van
6.3 'Perceptie' even noemden. Bunge noemt ze
type III theories en stelt dat de grens tussen deze (empirisch te interpreteren) theorieën
en exacte metafysica eigenlijk niet te trekken is. Zolang ze goed doordacht worden zijn alle erin gedane
beweringen waar: het blijft toegepaste wiskunde. Als ze anders dan conceptueel testbaar zijn, dan zal dat
moeten zijn via een toepassing ervan, waarin ze hun nut (hun waarheid staat immers al vast) kunnen
bewijzen. En dat gebeurt in zogenaamde type II theories .
Type-II-theorieën zijn specificaties van type-III-theorieën en doen dus, op zijn minst impliciet,
beweringen over het zojuist genoemde 'nut' van deze laatste. Ze passen ze toe op bepaalde welomschreven
'onderwerpen' die vaak via gangbare woorden uit de natuurlijke taal, of door stevig gevestigde vaktermen,
kunnen worden beschreven. Voorbeelden: klassieke mechanica, quantummechanica, maar ook, dichter bij huis, de
conventietheorie van Lewis (die een toepassing is van de speltheorie) en de cognitivistische muziektheorie
die in de tweede helft van het vorige hoofdstuk aan bod is gekomen (in
6.3 en
6.4 ), waarin behalve de speltheorie ook de
informatietheorie en de 'perceptielogica' zijn toegepast.
De lezer merkt dat, terwijl type-III-theorieën onmogelijk via rechtstreekse confrontatie met de
werkelijkheid gecorrigeerd zouden kunnen worden, dit voor type-II-theorieën eigenlijk óók
nog niet zo meteen kan. De klassieke mechanica zal bij voorbeeld opnieuw moeten worden gespecificeerd, zodat
haar toepassingsgebied bij voorbeeld wordt beperkt tot de planetenbeweging binnen het zonnestelsel en dan
pas kan er observatie volgen die theorieverbetering mogelijk maakt. De muziektheorie uit het vorig hoofdstuk
zal ook moeten worden gespecificeerd, zodat bij voorbeeld een erop gebaseerde theorie over een Schubert-lied
aan de reacties van de gebruikers ervan kan worden getest. Dat is dan ook gebeurd (zie
Kunst & Van den Bergh 1984). Deze laatste soort theorieën
nu heten bij Bunge type-I-theorieën: zij zijn rechtstreeks toetsbaar aan datgene waar ze over gaan.
Type-II-theorieën zijn zodoende niet zelf rechtstreeks toetsbaar, maar alleen via de hen specificerende
type-I-theorieën.
Intuïtief sprekend zou je kunnen zeggen dat de 'verticale' relatie tussen theorieën, waarover we
het hier hebben, inhoudt dat de hogere theorieën in zekere zin 'gaan over' de lagere. Speltheorie gaat
(onder andere) over muziek zoals ze opgevat wordt in de tweede helft van het vorige hoofdstuk; en de
muziektheorie die daar uit de doeken gedaan wordt gaat over Schubert, maar ook over Brahms, Machaut, Varèse
en jazz. De Schubert-theorie ten slotte gaat over de reacties van de gebruikers van het Schubert-lied
– over de 'feiten' derhalve waarvan we boven betoogden dat ze eigenlijk zelf ook, zij het relatief
onomstreden, theorieën zijn.
Van boven naar beneden worden de betrokken theorieën dus steeds minder algemeen, maar komen ze ook
steeds dichter bij de onomstreden observaties van de werkelijkheid.
'Horizontale' relaties tussen theorieën worden met name interessant waar de betrokken theorieën
over dezelfde dingen gaan. Daar kunnen zich dan twee gevallen voordoen: ofwel ze zijn het over die dingen
eens, ofwel ze zijn dat niet. Als ze het wel zijn, en vanuit een van beide hebben toetsingsprocedures
plaatsgehad die voor die theorie voorspoedig zijn verlopen, dan profiteert ook de andere van die gunstige
resultaten. (Ook zouden, uiteraard, negatieve resultaten voor beide theorieën moeilijkheden opleveren.)
Iets dergelijks deed zich voor in het geval van de cognitieve muziektheorie uit de tweede helft van het
vorige hoofdstuk. De delen ervan die over muziekwaarneming en muzikale emoties gaan gebruiken psychologische
theorieën die op andere terreinen dan muziek goed uit toetsingen te voorschijn zijn gekomen. Daarom is
het ook zo dat toen de theorie nog geen enkele eigen toetsing had meegemaakt, zeg tussen haar eerste
publikatie in 1978 en haar eerste toetsing in 1983, ze toch al een zekere waarschijnlijkheid kon ontlenen
aan toetsingen die andere type-I-theorieën over waarnemen en emotie vóór en na 1978
hadden doorstaan. Op die manier is er een 'afgeleide' toetsing mogelijk via het doormeten van de
coherentie van een theorie met andere. Men kijkt dan welke theoretische
aannamen specifiek zijn voor deze theorie en welke niet, en men kan dan voor de niet-specifieke aannamen
kijken hoe de toetsing ervan via andere theorieën verlopen is.
Het andere geval, namelijk dat twee theorieën het niet eens zijn over de dingen waarover ze gaan, heeft
speciaal de belangstelling van Lakatos gewekt. Falsificatie ziet hij niet meer als een relatie tussen een
theorie en een feit en zelfs niet als een relatie tussen een theorie en een andere theorie waar die eerste
over gaat; voor hem is het een 'horizontale' relatie tussen twee theorieën die (gedeeltelijk) over
hetzelfde gaan, en waarvan de falsificerende theorie het duidelijk 'beter doet' dan de gefalsificeerde.
Theorie T wordt door theorie T' gefalsificeerd als: 1 T' meer empirische inhoud
heeft dan T – dat wil zeggen dat ze nieuwe feiten voorspelt, feiten die in het licht van T
onwaarschijnlijk of onmogelijk zouden zijn –, 2 T' een verklaring bevat van het succes van T
(ofwel: de onweerlegde inhoud van T is deel van de inhoud van T'), en 3 een of meer van de onder
1 genoemde 'nieuwe feiten' empirisch zijn bevestigd (Lakatos 1970, p. 116).
Uiteindelijk zal Lakatos zelfs hele reeksen van na elkaar opgetreden theorieën T, T', T'', ..., willen
doormeten op de mate waarin daaruit een verandering, een richting waarin de kennis zich ontwikkelt, af te
lezen valt. Op die manier krijgt dan bij hem het Popperiaanse idee van wetenschap als empirie-gestuurd
leerproces (zie 1.3 ) een nieuwe vorm.
Het is verder ook duidelijk dat hij niet erg onder de indruk is van Kuhns incommensurabiliteitsthese, van de
stelling dat je twee theorieën die uit twee opeenvolgende paradigma's afkomstig zijn niet met elkaar
kunt vergelijken.
Ten eerste is hier weer de in 3.2 in verband met ver
achter ons liggende cultuurperioden genoemde stelling van toepassing: als twee paradigma's, of twee
culturen, of twee cultuurperioden, in het geheel niet te vergelijken zouden zijn, zou je dat niet eens
kunnen beweren.
Ten tweede is er het feit (voor een uitwerking van dat idee zie Stegmüller 1973) dat
theorieën altijd functioneren ingebed in een heel netwerk van concepten en woorden uit de
niettechnische natuurlijke taal, zodat er altijd een niet uitsluitend door de theorie gedicteerde
verankering bestaat van datgene waarover de theorie eigenlijk gaat, anders gezegd: van de 'verzameling der
beoogde interpretaties' van een gegeven theorie. (Voor Stegmüller maakt die verzameling zelfs
integrerend deel uit van het begrip 'wetenschappelijke theorie' zelf.)
Om de metafoor van het eind van 7.2 weer aan te halen ('beter
een dak met gaten boven je hoofd dan helemaal geen dak'): Kuhn lijkt eigenlijk te beweren dat je bij de bouw
van een nieuw dak eigenlijk niet kunt weten of er ook dezelfde grond mee wordt drooggehouden als door het
oude. Hij lijkt een absoluut primaat van de theorie aan te hangen: elk dak creëert bij hem de planeet
waarop het staat. In de relatie tussen waenschapstaal en gewone taal, net als in de relaties tussen de door
wetenschappers gehanteerde paradigma's enerzijds en de sociale achtergronden waar ze vandaan komen
anderzijds, zitten zeker een aantal 'diepe' problemen, maar ze zijn waarschijnlijk niet zo eenvoudig naar
één kant op te lossen. Hier is zeker ruimte voor een voorzichtiger en tevens meer verhelderend
filosofisch standpunt.
Een van de middelen waarmee het wetenschapsjargon zichzelf kan verankeren in de context van de natuurlijke
taal vinden we in een aantal praktijken van de zogenaamde analytische filosofie . Deze stelt zich
in het algemeen tot taak vóórtheoretische termen, in de regel 'gewone' woorden voor complexe
begrippen binnen de natuurlijke talen, 'uit te pakken', te analyseren met behulp van eenvoudiger en in hun
betekenis minder fluctuerende, dat wil zeggen beslisbaardere uitdrukkingen. Door die operatie neemt dan de
kans toe dat wij die termen van hogere orde (zoals bij voorbeeld 'betekenis') zullen kunnen
operationaliseren binnen een echte empirische theorie.
Het is uiteraard zo dat men daarmee jargonwoorden creëert, en dat het levende woord (bij voorbeeld
'betekenis') ondertussen gewoon voortleeft, en door zijn gebruikers op steeds nieuwe onderwerpen
'uitgeprobeerd' blijft worden. Als filosoof kun je dan je (voorlopig filosofisch) jargonwoord onderscheiden
van het levende-taalwoord door het van een speciaal label te voorzien (voorbeeld: Schiffer
(1972) noemt het uiteindelijk door hem 'uitgepakte' betekenisbegrip 'S-meaning '). De winst blijft dan
altijd nog dat de relaties tussen de éénduidig gemaakte term (S-meaning ) en het
natuurlijke-taalwoord 'betekenis' redelijk stevig vastliggen.
Analytische filosofen maken vaak gebruik van de middelen van de formele logica. Dat is ook volkomen
begrijpelijk: het gaat er hun om scherpe verbanden tussen termen vast te leggen en die dan ook vast te
houden. Formele logica fungeert in dat verband als een techniek waarmee je beweringen kunt dóórrekenen
naar hun consequenties, om zo bij voorbeeld te kunnen controleren welke verschillen er gaan ontstaan tussen
je analyse van een begrip en het gewone dagelijkse gebruik van het 'levende' woord. Vanwege het gebruik van
dergelijke technieken wordt dit soort filosofie ook wel met de term 'exacte filosofie'aangeduid.
Omdat het ook binnen de wetenschap om controleerbaarheid gaat, is ook de wetenschapper gebaat bij middelen
waarmee hij zijn beweringen kan dóórrekenen naar hun consequenties: dááruit
zullen tenslotte de toetsingen, en daarmee de 'lessen van de werkelijkheid', voort moeten komen.
We zien dat de introductie van jargonwoorden – en dat is iets waar geen wetenschap omheen kan,
tenminste wanneer dit ten doel heeft de scherpte van de terminologie te bevorderen – in feite al
neerkomt op een soort formalisering: jargonwoorden zijn er omwille van hun onderlinge vaste verbanden en de
daaruit voortvloeiende 'doorrekenbaarheid' van de beweringen waarin ze voorkomen.
Dit is één aspect van het formele. Er is ook een ander aspect, en dat is ook voor de empirische
wetenschap minstens zo belangrijk. Een handige manier om het ontstaan van het vak formele logica uit te
leggen (een soort 'rationele reconstructie') is het voor te stellen als het resultaat van abstractie en
generalisatie van altijd dwingend gebleken redeneervormen. Formele logica drukt die abstractie en
generalisatie uit door (bij voorbeeld) letters te schrijven voor beweringen, onverschillig welke, als in een
gegeven redenering dezelfde letter maar naar dezelfde bewering blijft verwijzen, en voor het overige te
werken met een handig en beperkt arsenaal van symbolen die eenduidige verbanden tussen beweringen tot
uitdrukking brengen, bij voorbeeld:
Het volgende schema:
(A&(A→B))→B
kan dan model staan voor zo'n altijd dwingend gebleken redeneervorm (zie ook
4.2 ). Het is een abstractie uit in de
praktijk voorkomende dwingende redeneringen en het dwingende karakter ervan laat zich generaliseren
over alle redeneringen die die vorm hebben.
Het zal de lezer duidelijk zijn dat theorievorming in wetenschappelijke zin het juist van abstractie en
generalisatie zal moeten hebben: van abstractie uit voortheoretische en theoretische (kandidaat)kennis, en
van generalisatie die moet leiden tot het uitproberen van die kennis in nieuwe situaties en tot de groei van
kennis die daar het resultaat van moet zijn.
Als een speciaal geval van formalisatie kunnen we die computerprogramma's beschouwen
die de rol van theorieën moeten spelen, die eigenlijk (op een speciale manier vormgegeven) theorieën
zijn . Anders dan meestal het geval is bij (gedeeltelijk) geformaliseerde theorieën die op
papier staan, is dit type 'formalisatie' vaak niet bedoeld om de discussie over de details van de theorie te
bevorderen of te verscherpen. In de praktijk kan dat waarschijnlijk ook alleen in het geval waarin het
computerprogramma een zogenaamde modulaire vorm heeft, dat is: voor te stellen is als bestaande uit (onder
andere) een aantal gecombineerde kleinere programma's.
Computerprogramma's moeten, precies in zoverre als ze theoretische pretenties hebben, onjuist kunnen blijken
(en op grond daarvan gecorrigeerd kunnen worden) via confrontatie met datgene 'waarover ze gaan', in dit
geval: datgene waar ze een model van zijn. Vreemd genoeg komt het wel voor dat programmerende theoretici
denken dat het bouwen van een succesvol programma (bedoeld wordt hier: een programma dat ze 'aan de praat
krijgen') al een geslaagde toetsing inhoudt. Alsof je niet van alle processen die überhaupt mogelijk
zijn, ook als ze in de werkelijkheid niet voorkomen, computersimulaties kunt maken. Er is natuurlijk wel
iets getoetst, namelijk de consistentie van het model. De suggestie is dan dat de gangbare informele
muziektheorieën in de regel niet eens op hun consistentie worden getoetst – en doordat ze zo
incompleet zijn of zoveel 'vage' plekken bevatten, zou zo'n controle in de regel ook niet eens uitvoerbaar
zijn.
Misschien spelen hier weer factoren van wat je 'onderzoekerspsychologie' zou kunnen noemen een rol. Wij
hebben in dit boek voortdurend gerefereerd aan de 'werkelijkheid', terwijl we haar de functie gaven van
wat weerstand biedt aan de theorieën die men erover vormen kan, van wat niet zomaar iets
wordt omdat wij er dat van denken (vergelijk het probleem van de kneedbaarheid van het kunstwerk, waar
onderzoekers die 'de kunstwerken zelf' wilden bestuderen zich mee geconfronteerd hebben gevoeld; zie
7.4 ). Verder namen we daarbij altijd stilzwijgend aan dat ze geen deel zou zijn van de
theoreticus zelf, noch van zijn vooroordelen, noch van zijn theorie en ook niet van de vormgeving
daarvan. Met andere woorden: als de fenomenoloog zijn vondsten doet ondanks (of dankzij) de conceptuele
leegte waarin hij zich waagt (of denkt te wagen) die voor hem een 'ongeconditioneerde' waarneming moet
garanderen, dan heeft hij misschien de weerstand gevoeld van zijn eigen intuïties – hijzelf
zal zeggen 'van de dingen zelf'. Daarop kan hij dan zijn overtuiging baseren dat aan zijn vondsten door
de werkelijkheid zelf vorm gegeven is.
Misschien is het geval van de succesvolle theoreticus-programmeur enigszins verrassenderwijs wel parallel
aan dat van de fenomenologische schouwer: ook de programmeur heeft bij het vormgeven van zijn theorie
voortdurend de weerstand gevoeld van iets en dat iets heeft de vorm meebepaald. Dat iets bevindt zich
natuurlijk buiten hemzelf (daarin is hij zeker verschillend van de fenomenoloog): het is de werkomgeving
van zijn programmeertalen, van zijn computer en niet de werkelijkheid waar zijn theorie over gaat. Vele
malen heeft hij oplossingen moeten zoeken voor problemen die ontstonden als zijn intuïties (over
zijn onderwerp!) niet goed genoeg overeenkwamen met de (programmeertaal-bepaalde!) theoretische
vormgeving ervan en zo heeft hij ongetwijfeld vele vondsten gedaan. Welnu: dat zijn op zijn best
vondsten over de eigen intuïties geweest – en daarom bij nader inzien misschien toch niet zo
wezenlijk verschillend van die van de boven beschreven fenomenoloog.
Hoeveel weerstand is er te verwachten van de muzikale werkelijkheid? Hoe 'stevig' is het onderzoeksobject van
de muziekwetenschap?
Als 'het stuk zelf' (casu quo 'de tekst zelf', 'het kunstwerk zelf') moet fungeren als muzikale
werkelijkheid blijkt het in de praktijk der analyse in nogal verontrustende mate iets 'kneedbaars' te zijn
(zie Mooij 1979, p. 131: 'the plasticity of the art object'). Wat hier aan de orde is,
is het probleem der interpretatie (zie
4.3 'Interpretatie en controle'). Door
zijn intensieve omgang met de 'gegevens' van het stuk 'kneedt' de analyticus feitelijk zijn eigen waarneming
ervan en het hangt waarschijnlijk af van de kracht der conventies die dit 'kneed'proces meebepalen en
begeleiden of het resultaat ervan nog verwantschap vertoont met het stuk zoals het door zijn gewone
gebruikers wordt gehoord. Vaak ontstaan op deze wijze subculturen van onderzoekers: denken we maar aan de
'numerologische ' duidingen van werken van Bach , de oude
Nederlanders, of Alban Berg.
Gelukkig houden de meeste analytici zich, bewust of onbewust, bij de conventies
die rond de door hen geanalyseerde stijl zijn gegroeid. En ook waar ze nieuwe analysetheorieën
propageren, willen ze vaak laten zien dat het horen in de praktijk 'ook echt zo werkt'. Maar het is even
zeker dat wat ze zich, met name in hun publikaties, kunnen permitteren, bepaald wordt door de precedenten
die gevormd worden door vroegere (in literaire zin succesvolle, dus veelgelezen en veelgeciteerde)
gepubliceerde analyses. Analyse wordt daar literatuur (zie
4.3 'Interpretatie en controle').
Literatuur produceert concepten, en creëert daarmee nieuwe 'mogelijke werelden'. Op die manier is ze
'overtuigend'. En daar kunnen zich dan problemen voor gaan doen. Componisten zijn in de muziekwetenschap van
oudsher autoriteiten, en beschikken zodoende al over speciale 'overtuigingskracht'. Maar het is duidelijk
dat bedoelingen die ze met hun werk hebben in minstens één opzicht niet anders zijn dan
bedoelingen die mensen in het algemeen met hun communicatief (en overig) handelen hebben: ze zouden namelijk
ook wel eens niet, of maar gedeeltelijk, werkelijkheid kunnen worden. Een muziekstuk kan in de muzikale
werkelijkheid anders gaan functioneren dan de componist bedoelde. Als een musicoloog dus weet dat een
componist ergens een bepaalde bedoeling mee had, mag hij niet enkel op die grond gaan aannemen dat het stuk
dus ook zo werkt. Dat soort dingen zou hij juist moeten onderzoeken. Zo heeft Berg (zie Floros
1985) inderdaad bij het schrijven van een aantal stukken aan getallensymboliek gedacht en daar getuigenis
van afgelegd. Maar het is niet aannemelijk dat hij heeft kunnen geloven dat zijn luisteraars die getallen
erin zouden kunnen horen. Het lijkt eerder gegaan te zijn om een persoonlijk magisch ritueel, om de rol die
zijn stukken voor hemzelf konden vervullen. In dat geval heeft hij die symboliek ook niet voor communicatie
bedoeld . Sinds hij dood is en zijn eigen stukken dus niet meer gebruikt, leidt ze alleen nog maar
een enigszins schimmig leven onder de pen van biografisch geinteresseerde historici. Met andere woorden:
componisten, maar zij niet alleen, kunnen een literaire mode starten binnen het genre der geschreven
analyses, die waarschijnlijk niet eens voor de schrijvers ervan, laat staan voor de gewone gebruikers van de
betrokken muziek, met een wijze van muzikaal communiceren correspondeert.
Dit brengt ons op een ander, en zeer concreet, voorbeeld van de 'kneedbaarheid van het kunstobject': de
Beethoven -uitvoeringen van Mengelberg (zelf kunst én interpretatie!) klinken
ons vandaag zeer bevreemdend in de oren. Het is niet dat de verschillen met de hedendaagse uitvoeringen
oppervlakkig zouden zijn: het gaat juist om meer diepe verschillen, om een sterke en in onze oren
'verkeerde' mentale en motorische houding die wij niet meer begrijpen. Sommigen zullen zeggen: 'hij speelt
vaak niet wat er staat'. Maar, zoals elke intelligente notenlezer weet, niemand speelt ooit precies wat er
staat. Alleen een computer kan dat en het resultaat is niet om aan te horen. De conclusie kan alleen maar
zijn dat Beethoven sinds Mengelberg, net als waarschijnlijk vele malen voor hem, is
omgefunctioneerd : we hebben vandaag met een andere Beethoven te maken dan vijftig jaar terug.
Moeten wetenschappers zich daardoor laten ontmoedigen? Neen: wetenschappers zouden juist het stevige in ons,
dat zich verzet tegen de Mengelbergversies, kunnen onderzoeken, kijken waar het wel en waar het niet
openstaat voor nieuwe stijlwisselingen en zich zo bezighouden met iets dat in de hen omringende wereld
werkelijk bestaat. In Beethovens stukken, zoals hij ze zelf zag, zat het hele systeem van muziekconventies
van zijn tijd, compleet met alle niet noteerbare zaken, ingecalculeerd. Hij rekende daarop. Maar hij rekende
niet met de muzikale context van 1988 en daar hebben wij mee te maken. Degenen onder ons die Beethoven op
een programma zetten rekenen daar echter wel mee, zij het grotendeels intuïtief.
Centraal is hier het stijl begrip. Dat is de term waarmee musicologen de
'stevigheid' van onze muzikale intuïties altijd hebben aangeduid. Stijl hebben we hierboven
(6.3 'Conventie') beschreven als een systeem
van conventies in de zin van Lewis. Stijl is wat muziek begrijpelijk maakt en muzikale communicatie
verklaarbaar. Stijl is belichaamd in het gecoördineerde gedrag (cognitief, motorisch, emotioneel,
etcetera) van mensen.
Een dergelijke opvatting heeft wel enkele consequenties. De opvallendste is
misschien dat de stijl van dode mensen in het geheel niet meer belichaamd is. Er zijn alleen sporen
van, bij voorbeeld in de vorm van partituren. Anderzijds bestaat wat wij nu de klassieke stijl noemen, of de
stijl van Tsjaikovsky, wel degelijk, want ze is belichaamd in het gedrag van de gebruikers van klassieke
muziek en dat van de gebruikers van Tsjaikovsky. Er bestaat zelfs iemand die Beethoven heet en een heel
oeuvre bij elkaar geschreven heeft: het is het historisch-fictionele personage dat wij 'achter' de ons
welbekende werken projecteren. Hij is dan ook aanzienlijk minder substantieel, minder 'stevig' dus, dan die
werken zijn. Dat iets substantieel is zal dan moeten inhouden a dat het niet alleen maar het produkt
is van onze vooroordelen, dat er iets over kan worden gezegd waarvan de onwaarheid kan worden aangetoond,
zodat dat ons in staat stelt er wijzer over te worden; en b dat er 'lijn' komt te zitten in die
leerprocessen, zodat we op den duur ook in staat zijn er iets waars over te beweren. Waar een dergelijk
proces methodisch aan de gang gehouden wordt, is er sprake van respectabele empirie.
'Numerologische' analyses worden waarschijnlijk ondernomen omwille van de speciale mix van hardheid der
gegevens (getallen!) en diepte van datgene waartoe die gegevens de sleutel vormen (vaak: religie, altijd:
bedoelingen van interessante overledenen). Er valt hier een parallel te trekken met astrologie. Ook daar
zijn de gegevens hard. En de gegevens verschaffen toegang tot niets minder dan het esoterische systeem der
wereld, of: hoe ik eigenlijk ben. Noch in het geval van de astrologie, noch in dat der numerologische
muziekanalyse kan ik mijn theorieën, als ze eenmaal zijn gevonden, nog verbeteren via confrontatie met
datgene waar ze over gaan. Evenmin zou ik ze (in het numerologische geval) in contrast kunnen brengen met
andere historische bronnen, die ze tegenspreken. Zo ontstaat een zowel in historisch als in systematisch
opzicht schimmig en vagelijk 'spannend' soort kennis, die alleen maar om verdere oncontroleerbare speculatie
schijnt te vragen. Wat men er, binnen of buiten de wetenschap, aan zou hebben, als ze wat steviger was, is
weer een heel ander probleem: dat van de relevantie. Daarover gaat het volgende hoofdstuk.
<< 6: Muziek, informatie, emotie
8: Relevantie >>