Zeven gedichten tegen de dood

door Jos Kunst (oktober 1980)

Maieutiek

Bloed van mijn denken, buitenwereld, ik wil niet
Méér zijn dan open oog, dan oor, dan kuil die ruimte
Aanzuigt, vergroot en binnenhaalt, de eigen schuinte
Ook zelf vol gaten, wijkend in de lege diep-

Te terug, en uit elkaar; zich uitspreidend, verdwijnend -
Vliegende dunne tent, uitwaaiend naar omlaag,
Vangzeil voor àlles, wijder dan de ijlste vlaag
Valwind, neervluchtend wild voor alles uit en vlijmend

Doorschoten van de voortekens, het angstbericht
Over wat komen moet, en komt, en het wegvaagt:
Wereldgeboortevlies, geplunderd aan het licht.

Steniging

voor Jan Vriend

Ik vlucht op handen en voeten uit voor de vliegende
Schotels vierkant uit lucht gegrepen hortend hard
Hagelend bloedbasalt dat door de uitgestoken
Keelholte keldert en de luide doorgang opent

En mij tot spreken dwingt in alle tongen over
Veranderingen die op handen en die ver
Al voortgeschreden onontkoombaar her en der
Plotseling toeslaan en doordringen in dit pover

Bereik van lijf en leven en de ongehoorde
Opstand verkondigen van 't ondergronds gesmoorde
Onleven dat mij naar omlaag de weg verspert

Eendvogels

Macht van de vleugels die de wind gevangen
Neerhouden onder zich, macht van de lucht
Die vogels draagt. Verwondering van dieren
Die nog niet wisten waar de slachter slaat,

Verwonding van de lucht, vol bloedgeur, niet
Meer ingeademd, niet meer uit, de lange
Grijpkelen, uitgevouwen, bleven hangen
Aan rijen haken. Laatste vogelvlucht.

Niets zoekt meer lucht in deze dode lente.
De vogels verharden in nieuwe tucht.
Zacht zingt het koelsysteem der consumenten.

Sirius

O hondsster midden in de sprong gedood
Toegrijpend en toch niet toegrijpend later
Waterster ver in 't glinstrend sterrenwater
Verzonken aan de kim sinds hij verschoot

Van angst en woede overslaand tot vuur
Tot zuiver wit vuur helder uitgetild
En eenzaam boven het nachtland dat rilt
En luisterend weer weet hoe nu zijn uur

Ten laatste daar is en zijn verste gronden
Al siddren voelt onder de weldra wild
Uitstromende menigten waterhonden.

Exit 1

Vogels waaiblaren woedend door het straatravijn
Neer naar 't verblindend uiteinde de wervelhalzen
Waar de ontaarde aarde wegdraait en de walging
Zich niet meer inhoudt en te keer gaat in de luchtpijp

Gevallen stad vergeefs verankerd en op drift
Wegstromend woest en ledig als een mens een ding
Buitengeworpen en verlaten - welk verschil
Blijft er nog tussen welke wording en verwording

Als aan het straateind blad noch vogel richting weet en
Zich overslaat en vallend zich verliest en stil
En weerloos blijft overgegeven onbezeten

Exit 2

Vogels waaiblaren woedend door het straatravijn
Neer naar 't verblindend uiteinde de wervelhalzen
Waar de ontaarde aarde wegdraait en de walging
Zich niet meer inhoudt en te keer gaat in de luchtpijp

Gevallen stad vergeefs verankerd en op drift
Wegstromend woest en ledig als een mens een ding
Een god gejaagd door alle huizen hemellichaam
Dwalend in vrije val door dorre sterrenwinter

Dit is geen dood geen leven geen verevening
Van schuld want wie zijn oog naar binnen keert hij vindt er
De buitenleegte weer die hem altijd omving

Exit 3

Vogels waaiblaren woedend door het straatravijn
Neer naar 't verblindend uiteinde de wervelhalzen
Waar de ontaarde aarde wegdraait en de walging
Zich niet meer inhoudt en te keer gaat in de luchtpijp

Gevallen stad vergeefs verankerd en op drift
Wegstromend woest en ledig als een mens een ding
Een god gejaagd door alle huizen hemellichaam
Dwalend in vrije val door dorre sterrenwinter

Een blinde oogballon vereenzaamd en verlicht
En open als een blad een lege vogel - minder
Dan ooit verbonden nog met oorsprong en gewicht


Uit: Hollands maandblad: 22 (1980-1981) 395 (oktober 1980) 27-29.

Regel 5 van Eendvogels begint in het tijdchrift met "Verwondering van de lucht". Blijkens een door de auteur met de hand gemaakte verbetering in mijn exemplaar moet dit zijn: "Verwonding van de lucht".

Ook verschenen in: Kunst, Jos. Niemand blijft ooit zichzelf: gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 1982.